Vernieuwende aanpak voor steun aan landbouwinnovaties

Samen met het nieuwe plattelandsontwikkelingsprogramma voor de periode 2014-2020 werden twee nieuwe maatregelen geïntroduceerd die een extra ondersteuning betekenen voor innovatie in de landbouw. Zo wordt er projectsteun verstrekt aan innovaties die nog niet beschikbaar zijn op de lijst van subsidiabele investeringen waarmee het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF) werkt. Voor landbouwers met een creatieve uitvindersgeest is dat een belangrijke stap voorwaarts. In het verleden genoten echte pioniers niet de steun die ‘snelle volgers’ kregen bij de implementatie van nieuwe technieken. Voor de oprichting van operationele groepen in het kader van de European Innovation Parnternships is het al de tweede oproep.

Innovatie in de land- en tuinbouw is belangrijk om economische ontwikkelingen te realiseren en tegemoet te komen aan maatschappelijke uitdagingen. Stilstaan is immers achteruitgaan. Met een uitgekiend plattelandsbeleid voor de periode 2014-2020 wil Vlaanderen de competitiviteit en verduurzaming van de land- en tuinbouw stimuleren en ondersteunen. Het Departement Landbouw en Visserij doet in het kader van het plattelandsontwikkelingsprogramma (PDPO III) twee oproepen.

De eerste oproep ‘projectsteun voor innovaties’ beoogt via het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF) innovaties in de sector te faciliteren. Landbouwers moeten het zien als een aanvulling op de gewone investeringssteun. Pure innovatie en vernieuwing op een land- of tuinbouwbedrijf laat zich niet vatten in een lijst met subsidiabele investeringen zodat pioniers ondersteuning op maat krijgen. De maatregel wil innovatieve ideeën en concepten op het vlak van productie, verwerking en afzet van landbouwproducten helpen realiseren via kapitaalpremies voor roerende of onroerende innovatieve investeringen. Subsidiabel zijn ook de hieraan gekoppelde studies, de kosten voor proefinstallaties, de kosten voor de ontwikkeling van software en sturingsprogramma’s en de kosten van externe begeleiders en experten.

Via deze maatregel zijn innovatieve investeringstypes subsidiabel die nog niet beschikbaar zijn op de VLIF-lijst van subsidiabele investeringen. Daarnaast zijn ook investeringstypes subsidiabel die reeds opgenomen werden op de VLIF-lijst, maar die tegelijk ook een duidelijk aantoonbare innovatie inhouden. Innovaties die zich in een eindfase van ontwikkeling bevinden en uitgetest worden in praktijkomstandigheden op land- en tuinbouwbedrijven zijn eveneens subsidiabel via deze maatregel.

Voor deze oproep is het totaalbudget 3,8 miljoen euro. Twee miljoen euro van dit budget wordt gereserveerd voor innovatieve ammoniakreducerende technieken. De overblijvende 1,8 miljoen euro staat open voor alle innovaties. De subsidie bedraagt 40 procent van de subsidiabele projectkosten. Via een selectieprocedure worden de kwalitatief meest hoogstaande projecten geselecteerd voor subsidiëring. Experts uit het beleidsdomein Landbouw en Visserij zullen hiervoor punten toekennen op basis van de selectiecriteria.

Om de interactie tussen onderzoek en praktijk te stimuleren, bedacht de Europese Commissie de ‘European Innovation Partnerships’. Door land- en tuinbouwers in de beginfase van het onderzoek reeds te betrekken, zullen onderzoeksvragen meer op basis van de praktijk bepaald worden. De verwachting is dat het ook zorgt voor meer interactie tussen land- en tuinbouwers onderling en dat onderzoekers leren hoe hun resultaten in de praktijk gebruikt worden. Het EIP ‘productieve en duurzame landbouw’ volgt een bottom-up-benadering, waarin betrokkenen zich kunnen organiseren in een ‘operationele groep’ rond een concreet vraagstuk uit de praktijk.

In Vlaanderen kunnen de landbouwers, onderzoekers, adviseurs en andere actoren binnen een operationele groep zich over een thema naar keuze buigen of naar oplossingen zoeken specifiek voor de problematiek van de ammoniakemissie uit stallen. Het maximale subsidiebedrag per operationele groep bedraagt 30.000 euro. De subsidie bedraagt maximaal 90 procent van de subsidiabele kosten. De indiener en partners staan zelf in voor de overige tien procent cofinanciering. Het budget van de Vlaamse overheid biedt ruimte voor minimum vijf operationele groepen. Projectaanvragen moeten ten laatste op 1 april verstuurd worden.

Bron: Vilt, 2 februari 2016