Investeringssteun grootste PDPO-hefboom voor innovatie

Het is vooral de investeringssteun die tijdens PDPOII, dat liep van 2007 tot 2013, het meest heeft bijgedragen tot de toepassing van innovatieve technieken en producten op land- en tuinbouwbedrijven. Dat blijkt uit een externe evaluatie van het Vlaamse plattelandsbeleid tijdens die periode. Ook opleidingen, demoprojecten en bedrijfsadvies zijn een erg belangrijke ondersteuning voor landbouwers met het oog op innovatie, al is er nog behoorlijk wat marge om die invloed te vergroten. 

Eén van de doelstellingen van het Vlaams plattelandsbeleid is het stimuleren van innovatie. Een extern bureau ging in het kader van een brede, kwalitatieve evaluatie van PDPOII na in hoeverre dat ook effectief gelukt is. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen vier belangrijke innovatietypes. Er zijn de procesinnovaties, wat nieuwe of significant verbeterde productie- of leveringsmethodes zijn. Daarnaast heb je vermarktingsinnovaties, organisatorische innovaties en productinnovaties. Verder heb je bijvoorbeeld nog de investeringen in alternatieve bronnen van energie en warmte, machineringen, agrobedrijfshulp, enzovoort. In Vlaanderen gaat het vooral over veranderingen in het productieproces.

Uit een enquête uit 2012 blijkt dat een onzekere markt, een gebrek aan tijd, wetgeving en het ontbreken van financiering door landbouwers zelf als de belangrijkste hinderpalen voor innovatie worden beschouwd. PDPOII heeft vooral ingespeeld op dat laatste knelpunt via het toekennen van investeringssteun. Een groot deel van de bedrijfsleiders doet bij een innovatie immers beroep op een lening bij de bank en op steun van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF). 

Volgens de evaluatie kan het inzetten van de steun voor innovatie nog een stuk efficiënter, al wordt wel opgemerkt dat heel wat manco’s geremedieerd worden in het nieuwe PDPO. Zo verwachten de innovatie-experten sterke innovatie-effecten van onder meer projectsteun voor innovaties in de landbouw; steun voor de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven; de oprichting van producentenorganisaties en een samenwerking tussen de stad en het platteland.

Hoe kan het beter? Wat de investeringen betreft, worden in de evaluatie twee belangrijke opmerkingen geformuleerd. Enerzijds zouden vooral risicovolle investeringen via het VLIF moeten ondersteund worden, anderzijds zouden de cijfers die gegenereerd worden bij hoogtechnologische investeringen eigendom moeten blijven van het bedrijf. Opleidingen moeten hun focus dan weer meer richten op nieuwe en/of alternatieve bedrijfsmodellen, het aanbieden van voldoende recent wetenschappelijk onderzoek en de opvolging van de deelnemers aan de opleidingen. Verschillende duurzame alternatieven moeten naast elkaar getoond worden en het moet duidelijk zijn wat de criteria zijn om voor het ene of het andere te kiezen.

Wat het bedrijfsadvies betreft was een inhoudelijk ruimere invalshoek nuttig geweest en had het advies meer gebaseerd mogen zijn op recent wetenschappelijk onderzoek, nieuwe tools en methodes ontwikkeld in gebiedsgerichte projecten zoals Leader, Interreg, IWT, enzovoort. Ook zouden de adviezen beter opgevolgd moeten worden. Een advies wordt uiteindelijk schriftelijk opgestuurd per post; in hoeverre de landbouwer het advies ook effectief toepast op zijn bedrijf zou systematisch opgevolgd en gestimuleerd moeten worden. Bij gebiedsgerichte projecten tenslotte leert de evaluatie dat Leader- en andere soortgelijke projecten innovatiever zijn naarmate ze meer tijd en begeleiding krijgen om het projectidee te laten rijpen.

Bron: Vilt, 1 augustus 2016