Twee op de drie Vlaamse boeren hebben toegang tot VLIF

Op vraag van de commissie Landbouw van het Vlaams Parlement werd de werkwijze van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF) toegelicht door minister Joke Schauvliege en experten van de landbouwadministratie. Het gemoderniseerde VLIF is voldoende flexibel, speelt in op de noden van de landbouwsector en werkt tegelijkertijd aan duurzaamheid en innovatie en aan verjonging van de landbouwpopulatie. Zo vatte de minister de uiteenzetting door leden van haar administratie samen. In verband met de toelatingsdrempel van 40.000 euro bruto bedrijfsresultaat – die voor twee derde van de Vlaamse landbouwers geen probleem stelt – en de wijze waarop het VLIF aankijkt tegen landbouwverbreding werden een aantal misverstanden uitgeklaard.

Om meer inzicht te krijgen in de werking van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF) nodigde de landbouwcommissie van het Vlaams Parlement minister Joke Schauvliege samen met experten van haar administratie uit om toelichting te geven. Eerder bogen de parlementairen zich reeds over het fenomeen schaalvergroting in land- en tuinbouw. Tijdens het debat dat zich toen ontspon, werden een aantal kritische vragen gesteld over de rol van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF).

In de ogen van sommige politici zouden grote land- en tuinbouwbedrijven hun eigen boontjes moeten doppen en kan de investeringssteun beter verstrekt worden aan meer kleinschalige of gediversifieerde bedrijven. Het VLIF hanteert drempels voor de steun die het verstrekt maar vandaag is het niet zo dat grote bedrijven bij voorbaat geen kans zouden maken op subsidies voor een investering. Omgekeerd zouden de gehanteerde drempels remmend werken voor kleinschalige landbouwbedrijfjes die op termijn wel kunnen doorgroeien naar een hoofdactiviteit voor de bedrijfsleider.

Voor de overheid is het landbouwinvesteringsfonds net zoals de agromilieumaatregelen een belangrijk instrument om milieudoelstellingen te realiseren. “Sedert 2000 kennen we een getrapt subsidiesysteem, waarbij de hoogste steunpercentages voorbehouden worden voor verbrede landbouw en milieu-investeringen”, motiveert Jules Van Liefferinge, secretaris-generaal van het Departement Landbouw en Visserij. Aan de verduurzaming van de landbouw wordt via het VLIF dus al meer dan 15 jaar gewerkt.

Meer recent duikt duurzaamheid ook op in de selectiemethodiek. Zo komt alleen de component van een investering die bijdraagt aan een duurzame landbouw in aanmerking voor subsidie. Ook wordt gekeken of de subsidie wel toegevoegde waarde heeft. Zou een landbouwer zonder de subsidie de investering ook doen? Bijzonder is dat de Vlaamse overheid jonge landbouwers positief discrimineert door hun investeringen naar voren te trekken in de selectie. In het verleden kwam er wel eens kritiek op de limitatieve lijst van potentiële landbouwinvesteringen waarmee het VLIF werkt. “Die kan nu iedere drie maand aangevuld worden zodat we innovaties veel sneller oppikken”, zegt Van Liefferinge.

Afdelingshoofd Ondernemen en Ontwikkelen Luc Uytdewilligen focust in zijn uiteenzetting op de houding van VLIF tegenover verbrede landbouw. De subsidievoorwaarden werken landbouwverbreding niet tegen. Dat soms toch het tegenovergestelde wordt gedacht, wijt Uytdewilligen aan enkele hardnekkige misverstanden in verband met het bruto bedrijfsresultaat. Dat moet minimaal 40.000 euro bedragen om in aanmerking te komen voor investeringssteun. Bovengrenzen zijn er ook. Als een bedrijf een bruto bedrijfsresultaat groter dan 800.000 euro realiseert, dan wordt het VLIF kieskeuriger in de investeringen die het ondersteunt.

Bij het berekenen van het bruto bedrijfsresultaat – opbrengsten min alle operationele kosten – tellen de inkomsten uit landbouwverbreding mee om aan een jaarresultaat van 40.000 euro te komen. Wel is het zo dat het bruto bedrijfsresultaat van de landbouwactiviteit groter moet zijn dan het bedrijfsresultaat dat gerealiseerd wordt met verbreding. Dat kan een obstakel lijken, zeker in een crisisjaar voor de landbouwactiviteit, maar de overheid hanteert een gunstige afbakening van wat landbouw en wat verbreding is. Uytdewilligen illustreert dat als volgt: “Het verwerken van melk tot kaas is landbouw. De verbreding start pas bij de laatste handeling, namelijk de verkoop van de kaas aan de consument. Enkel de extra bruto marge die gecreëerd wordt via de hoevewinkel moet als landbouwverbreding geteld worden.” Het afdelingshoofd neemt met opzet het voorbeeld van een kaasmakerij om duidelijk te maken dat het probleem zich niet zo scherp stelt als BioForum eerder liet uitschijnen.

Eigen aan de Vlaamse landbouw in een verstedelijkte omgeving is dat nogal wat hoeveverkopers hun assortiment verbreden met de producten van een collega-landbouwer. In het verleden zorgde deze handelsactiviteit vaak voor problemen bij aanvragen voor investeringssteun. Na aandringen door Vlaanderen toont Europa zich nu inschikkelijker voor landbouwers die in hun hoevewinkel ook de producten van een collega aanbieden. Hiermee wil Uytdewilligen andermaal aantonen dat het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds verbreding absoluut wil ondersteunen als één van de mogelijke bedrijfsstrategieën.

Niettemin kunnen landbouwers met een succesvolle nevenactiviteit van het VLIF te horen krijgen dat ze niet voor investeringssteun in aanmerking komen omdat de landbouwactiviteit ondergeschikt is geworden. Die vuistregel vindt Luc Uytdewilligen perfect verdedigbaar. Een landbouwinvesteringsfonds is er om een boerderij met hoevewinkel of hoevetoerisme te ondersteunen, niet om een buurtsuperette of plattelandshotel te subsidiëren.

Los van enige nevenactiviteit is minimum 40.000 euro realiseren met de landbouwactiviteit voor veel landbouwers niet vanzelfsprekend. Uytdewilligen merkt op dat dit probleem ondervangen wordt met verschillende bewijsmethoden voor het jaarresultaat. Als de ‘quick scan’ van het Departement Landbouw en Visserij negatief uitdraait, kan de landbouwer zelf het bewijs leveren dat hij een bruto bedrijfsresultaat van 40.000 euro realiseert.

De quick scan door de administratie is naar verluidt niet zo streng als BioForum liet uitschijnen. De minimale dieraantallen die gehanteerd worden als leidraad voor het bruto bedrijfsresultaat van 40.000 euro, zijn niet van die aard dat je kan beweren dat ze schaalvergroting in de hand werken. Uytdewilligen is daar heel transparant over: 27 melkkoeien, 55 zoogkoeien, 101 melkgeiten, 825 vleesvarkens, 204 zeugen, 8.048 legkippen en 20.305 vleeskippen. Behalve voor zeugen en zoogkoeien liggen deze aantallen beduidend lager dan de gemiddelde veestapel op een Vlaamse boerderij.

Parlementairen die nog altijd zouden denken dat het VLIF er is voor een beperkt aantal bevoorrechte landbouwers, toont Uytdewilligen de berekening dat 64 procent van het totale aantal landbouwbedrijven in Vlaanderen in boekjaar 2014 toegang had tot investeringssteun. Dat zijn er bijna 15.500 terwijl er iets minder (circa 14.250) landbouwers voltijds actief zijn in Vlaanderen. De overgrote meerderheid van de hoofdberoepers realiseert een bruto bedrijfsresultaat van meer dan 40.000 euro en worstelt dus niet met de toelatingsdrempel. Het is trouwens Europa die de eis van een zekere bedrijfsomvang oplegt om zeker te zijn dat de landbouwactiviteit resulteert in een inkomen.

“Nieuw in het derde plattelandsontwikkelingsprogramma is dat kleine landbouwbedrijven met een bruto bedrijfsresultaat tussen 20.000 en 40.000 euro ontwikkelingssteun kunnen ontvangen”, zegt Uytdewilligen. Dat biedt hen perspectief om door te groeien naar een volwaardige landbouwactiviteit, waarna het volledige arsenaal aan investeringssteun beschikbaar wordt.

Voogdijminister Joke Schauvliege verwacht dat deze nieuwe maatregel een groeitraject voor kleine bedrijven mogelijk maakt. Ze zet in de verf dat de generieke toelatingsdrempel reeds verlaagd is van 50.000 naar 40.000 euro bruto bedrijfsresultaat: “Op die manier komt twee derde van de Vlaamse landbouwbedrijven in aanmerking.” Verder hecht Schauvliege er veel belang aan dat het VLIF sterker dan in het verleden inspeelt op de meest recente innovaties. En ze maakt zich sterk dat Vlaanderen voorop loopt in Europa met de omslag in de investeringssteun naar milieugerichte maatregelen.

Bron: Vilt, 31 maart 2016