Brabantse boeren zijn fanatiekste plattelandbeheerders

Meer dan 3.000 Vlaamse landbouwers leveren dit jaar inspanningen voor natuur, landschap en milieu. Het zijn de landbouwers uit Vlaams-Brabant die met de grootste ijver intekenen op de vrijwillige beheerovereenkomsten van de Vlaamse Landmaatschappij. Zij beheren de grootste oppervlakte, namelijk 34 procent van de meer dan 10.000 hectare waarop er maatregelen genomen worden in functie van de waterkwaliteit, akker- en weidefauna, perceelranden, erosiebestrijding, enz. De Limburgse collega-landbouwers volgen op de voet met 31 procent van het areaal beheerovereenkomsten.

Naar jaarlijkse gewoonte geeft de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) een overzicht van de beheerovereenkomsten waarop landbouwers vrijwillig ingetekend hebben. In 2017 leveren 3.085 landbouwers extra inspanningen voor natuur, landschap en milieu op een oppervlakte van 10.384 hectare. In ruil ontvangen zij daarvoor meer dan 11 miljoen euro aan vergoedingen.

De cijfers per provincie tonen aan dat beheerovereenkomsten het populairst zijn in Vlaams-Brabant. In de centrumprovincie is de grootste oppervlakte in beheer (34% van het totaal), wat opvallend meer is dan in Oost-Vlaanderen (8%) en Antwerpen (4%). De beheerde oppervlakte in Limburg komt met 31 procent het dichtst in de buurt. West-Vlaamse boeren staan in voor 23 procent van de totale oppervlakte aan beheermaatregelen.

De oppervlakte alleen zegt onvoldoende over de bereidheid van landbouwers om inspanningen te doen voor natuur en milieu. Hoe groter de inspanning van de boer (of de opbrengstderving op een perceel), hoe hoger de vergoeding die er tegenover staat. Gerangschikt volgens de beheervergoedingen die in iedere provincie uitbetaald worden, klimmen de West-Vlaamse landbouwers van de laatste naar de tweede stek. Zij ontvangen 29 procent van de middelen. Hun collega’s uit Vlaams-Brabant spannen nog steeds de kroon met 32 procent. In Limburg wordt 26 procent van de middelen uitbetaald. Het kleinste deel van de beheervergoedingen wordt betaald aan landbouwers uit Oost-Vlaanderen en Antwerpen, respectievelijk 8 en 5 procent.

Van de ruim 11 miljoen euro die Vlaanderen en Europa samen uittrekken voor agrarisch natuurbeheer gaat het grootste deel (42%) naar de bescherming van akker- en weidefauna. Een aanzienlijk deel van de vergoedingen (24%) gaat naar het beheer van perceelranden. De verbetering van de waterkwaliteit, het beheer van kleine landschapselementen en erosiebestrijding slorpen elk ongeveer een tiende van het totale bedrag op. Aan het botanisch beheer van graslanden en akkers wordt het minste geld besteed (3%).

Uitgedrukt in oppervlakte krijg je een ander beeld want de verbetering van de waterkwaliteit beslaat het grootste aantal hectaren (36% van het totaal). Op de tweede plaats komen maatregelen voor soortenbescherming met 30 procent van het totale areaal. Overeenkomsten voor perceelrandenbeheer en erosiebestrijding zijn elk goed voor ongeveer 14 procent van de totale oppervlakte. Het botanisch beheer van graslanden en akkers en het beheer van kleine landschapselementen bengelen onderaan met respectievelijk 4 en 1 procent van de totale oppervlakte.

Bron: Vilt, 14 februari 2017