Studienamiddag LNE: ‘10 jaar erosiebeleid in Vlaanderen – tijd voor een evaluatie’ – 15 maart 2012

Het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie heeft op 15 maart een studienamiddag gehouden met als titel ’10 jaar erosiebeleid in Vlaanderen – tijd voor een evaluatie’.

Tijdens deze namiddag kwamen zes sprekers aan bod van verschillende pluimage.

Gert Verstraeten, professor van de afdeling geografie van de KU Leuven nam als eerste het woord. Hij ging dieper in op de watererosie in Vlaanderen en leerde de deelnemers dat in het zuiden van Vlaanderen de watererosie matig intens is, en dat dit proces al duizenden jaren aan de gang is. Verder stelde hij dat er een beperkte toename is van de intensiteit door klimaatverandering, en wellicht een grotere afname door de inkrimping van het landbouwareaal. De socio-economische impact van bodemerosie neemt echter wel toe door de sterke verstedelijking, en door de toename van de bebouwing in Vlaanderen.

Vervolgens gaf Martien Swerts, diensthoofd Land – en Bodembescherming van het Departement LNE, een overzicht van 10 jaar erosiebeleid. Zij was er 10 jaar geleden zelf bij, bij de opmaak van het milieubeleidsplan. Het uitgangspunt was dat erosiebestrijding een belangrijk onderdeel is van bodembescherming. Er werden twee doelgroepen gedefinieerd: landbouwers en lokale besturen. Na een overzicht van wat er de laatste 10 jaar allemaal is gebeurd rond erosiebestrijding, werd een blik geworpen op de toekomst, waarbij ook een aantal aandachtspunten naar voor werden geschoven: moeten we in de toekomst erosiebestrijding stimuleren of verplichten?; moeten deze maatregelen gefinancierd worden, en zo ja, hoe?; beschouwen we dit in de toekomst als een inspannings- of als een resultaatsverbintenis?

Na dit voer voor het debat was het de beurt aan Harry Winteraken van Waterschap Roer en Overmaas uit Nederlands Limburg. Hij schetste de situatie in die regio, en vertelde de aanwezigen dat de eerste erosieverordening in Nederlands Limburg dateert uit 1990. Daar is inmiddels al heel wat gewerkt rond erosiebestrijding, en bij recente buien lijken de maatregelen succesvol, maar ook in Nederlands Limburg is men nog niet uitgeleerd. In elk geval is Harry ervan overtuigd dat de discussie niet meer gaat over of erosie moet bestreden worden, maar wel hoe.

Na de pauze kregen verschillende stakeholders het woord om te vertellen wat zij vinden van het Vlaamse erosiebeleid.

Karel Vandaele, gemeentelijk erosiecoördinator bij Watering van Sint-Truiden, kwam als eerste stakeholder aan het woord. Hij gaf aan dat het erosiebeleid in Vlaanderen grensverleggend is, op verschillende manieren. Maar hij maakte ook duidelijk dat er heel wat knelpunten zijn, en dat het steeds om maatwerk gaat. Door een intensieve, individuele aanpak kan volgens hem veel gerealiseerd worden. In het gebied waar hij tewerkgesteld is halen de meeste gemeentes ruim de doelstellingen. Dat bewijst dat erosiebestrijding op vrijwillige basis echt wel kan werken. Daarenboven rendeert het erosiebeleid in Vlaanderen ook, blijkt uit cijfers. Wat echter nefast is voor erosiebestrijding volgens hem is de onduidelijkheid en de onzekerheid m.b.t. het toekomstig beleid.

Nadien gaf Peter Van Bossuyt, bijzonder opdrachthouder bij Boerenbond, zijn standpunt weer. Hij stelde dat 10 jaar erosiebeleid in Vlaanderen een positief verhaal is van sturen en bijsturen, waarbij zowel een preventief als een curatief luik belangrijk zijn. De landbouw krijgt vaak de schuld, maar Peter gaf de bedenking dat de woningen die te leiden hebben van modderstromen vaak niet op geschikte percelen voor bebouwing staan. Hij vindt dat gebiedsbenadering belangrijk is, maar vindt het jammer dat de praktijk niet genoeg betrokken wordt bij de opmaak van de erosiebestrijdingsplannen. Het is volgens hem belangrijk dat ook de gemeentes mee aan de kar trekken. Wat de toekomst betreft ziet hij dat het bewustzijn gegroeid is, en dat boeren die erin geloven het best andere boeren kunnen overtuigen. Het bewustzijn is ook gegroeid omdat de effecten voelbaar zijn. De aanpak moet volgens hem nog meer samen en gebiedsgericht gebeuren, zowel voor de aanleg als voor het onderhoud.

De laatste spreker was Astrid Van Vosselen van de Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid. Zij ging dieper in op de rol van erosie binnen het waterbeleid. Door erosie stijgt de kans op overstromingen, ontstaan problemen met bevaarbaarheid, stijgt de kans op verontreiniging van waterlopen en erosie heeft ook een negatief effect op de ecologische kwaliteit van het water. Zij stelde dan ook dat erosiebeleid voor waterbeheerders van cruciaal belang is. De preventie inzake bagger- en ruimingsspecie, wat betreft de kwantiteit, situeert zich in grote mate op vlak van erosiebestrijding. Er moet blijven gezocht worden naar een win-win, en erosiebeleid heeft volgens Astrid meer slagkracht nodig, misschien ook meer verplichtingen.

Na de presentaties was er ruimte voor debat. De deelnemers konden vragen indienen, waar tijdens het debat door de zes sprekers op werd geantwoord. Vier grote thema’s kwamen aan bod in het debat:

  1. Erosiebestrijding meer stimuleren of meer verplichten?
  2. Welke maatregelen verplichten? Waar en hoe?
  3. Hoe kan je de deelname aan vrijwillige maatregelen vergroten?
  4. Hoe gaat men vrijwillige maatregelen blijven financieren? Kan men dat blijven financieren?

 

De slotbeschouwing werd gegeven door Sibylle Verplaetse, raadgever land, grond en mest, van het kabinet van Vlaams minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur Joke Schauvliege. Zij gaf aan dat minister Schauvliege veel belang hecht aan het erosiebeleid, en dat hier ook in de toekomst veel aandacht naar zal gaan.