Verslag Plattelandsacademie 'Dorpenbeleid, praktisch bekeken' - 18 november 2015

Hoewel 40 procent van de Vlamingen in het buitengebied woont, bestaat er weinig eensgezindheid over hoe de Vlaamse dorpen zich kunnen ontwikkelen als moderne en aangename plaatsen om te leven. Naar het voorbeeld van stedenbeleid geeft Landelijke Gilden de aanzet voor een echt dorpenbeleid. Sterke en aantrekkelijke dorpen kunnen volgens de plattelandsbeweging een antwoord bieden op uitdagingen zoals ruimtelijke (wan)orde, vergrijzing en sociale cohesie. Vooral inzake ruimtelijke ordening is er vandaag actie nodig om daar over 30 of 40 jaar resultaat van te zien. Ingenieur-architect en gastdocent Leo Van Broeck (KU Leuven) deed tijdens een studiedag in Leuven een wake-upcall.

Vlaanderen moet evolueren naar meer stad, meer dorp en meer platteland. Dat zei Leo Van Broeck, ingenieur-architect en docent architectuur en verstedelijking aan de KU Leuven, eerder deze maand tijdens een studiedag in Leuven. Hij verwees naar de enorme ecologische en economische nadelen van de zeer gefragmenteerde bebouwing in Vlaanderen. "We hebben een gigantisch deel – 32 procent – van Vlaanderen bebouwd op de meest gefragmenteerde manier", aldus Van Broeck. “Het verkavelingsmodel heeft enerzijds de steden doen leeglopen en anderzijds de natuur en het platteland kapotgemaakt. Bovendien heeft dit naast een zeer groot ecologisch ook een zeer groot economisch probleem gecreëerd.”

Door de gefragmenteerde bebouwing zijn Vlamingen aangewezen op hun auto. Vlaanderen is recordhouder voor wat betreft het aantal uren file per werknemer. Nergens heb je per wooneenheid zoveel kilometers weg en nutsvoorzieningen nodig als in Vlaanderen. Door de afhankelijkheid van de auto en de verwarming van vrijstaande gebouwen is ook het energieverbruik abnormaal hoog. Het openbaar vervoer staat voor een onmogelijke opdracht en nog volgens Van Broeck zijn er in Vlaanderen te veel kleine dorpen en steden en daardoor te weinig middelen om een degelijke infrastructuur uit te bouwen. Kordaat verwoordt hij dat zo: “Wonen 'op den buiten' is schijnbaar goedkoper op het moment van aankoop. Als je daarentegen de mobiliteits-en infrastructuurkosten voor bewoners èn voor de overheid meerekent, is het verkavelingsmodel vele malen duurder dan wonen in de stad. De toekomst van Vlaanderen zal stedelijk zijn of zal niet zijn.”

De focus zou te veel op CO2 en energieverbruik en te weinig op overmatig grondgebruik in Vlaanderen. “Bijna alle vruchtbare grond is ingenomen voor menselijke activiteit. Dat is op termijn onhoudbaar. Een ecosysteem overleeft als 25 à 30 procent van zijn vruchtbare gronden niet gebruikt wordt door de meest dominante soort. In Vlaanderen is nog geen twee procent van de oppervlakte natuurreservaat. Momenteel hebben we geen grote steden, geen compacte dorpen én bijna geen natuur meer. We moeten zeer urgent werk maken van verdichting van de bestaande bebouwing in combinatie met mobiliteitsgestuurde ontwikkeling.”

Onze hoge bevolkingsdichtheid vindt de professor een vals argument om een groter grondgebruik te verantwoorden. “Het aantal mensen per bebouwde hectare is in ons land al decennialang aan het dalen. Een land dat het in Europa veel beter doet, is het Verenigd Koninkrijk: 28 procent beschermd natuurgebied en – binnen zijn bebouwde fractie – een zeer hoge bevolkingsdichtheid. Als België binnen zijn bebouwde zone dezelfde dichtheid had, dan woonden er hier vandaag geen 11 maar wel 17 miljoen mensen, zonder één bijkomende vierkante meter open ruimte in te moeten nemen. Verstedelijking is de enige manier waarop echte landelijkheid nog kan gered worden.”

Niemand anders dan Van Broeck had de problematiek zo scherp kunnen stellen tijdens de studiedag van Landelijke Gilden in Leuven. “Een wake-upcall”, zo noemt Karel Lhermitte het. De adviseur Plattelandsontwikkeling bij Landelijke Gilden erkent dat de densiteit van de bewoning in Vlaanderen omhoog moet. “We gaan veel spaarzamer moeten omspringen met open ruimte. Ons gulzig gebruik rijmt niet met de eindigheid van deze grondstof. Willen we toekomen met de huidige bebouwde oppervlakte, dan moet de oplossing komen van hoger bouwen en andere vormen van verdichting. En van het hergebruik van zogenaamde brownfields.”

Wat Lhermitte ‘verdorpen’ noemt, zal niet vanzelf gaan. Conform de bestaande bouwschriften worden anno 2015 de ‘gaten’ in de lintbebouwing opgevuld. Om het tij te keren, zal de overheid een instrument van verhandelbare ontwikkelingsrechten nodig hebben. Leo Van Broeck sprak in dat verband over “een slim systeem van grondruil” en “het opdrijven van de grondwaarde door op geselecteerde locaties veel hogere dichtheden toe te laten”. De zaakvoerder van een architectenbureau meent dat niemand hier zijn broek hoeft aan te scheuren, de overheid niet maar ook de private grondeigenaars niet.

Lhermitte gelooft op zijn beurt dat de overheid wonen op bepaalde plekken “positief kan discrimineren” en elders de markt zijn werk moet laten doen. Het vooruitzicht dat een betere ruimtelijke ordening in Vlaanderen een proces van lange adem wordt, maakt hem niet moedeloos. Lhermitte: “Veranderingsprocessen hebben traagheid in zich maar ik zie goede ideeën opduiken, bijvoorbeeld in het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen en in het provinciale structuurplan van Vlaams-Brabant dat de nabijheidslogica onderschrijft.”

Ondertussen ontbreekt het nog wel aan daadkracht, zie maar de verkavelingen die er nog altijd bijkomen in overstromingsgebied. Daarom is het goed dat mensen zoals Leo Van Broeck de alarmklok luiden. Zijn woorden kunnen mensen aan het denken zetten. “Neem nu het ideaalbeeld van een viergevelwoning met tuin waardoor jonge mensen zich laten leiden in de zoektocht naar een eigen woonst”, denkt de adviseur van Landelijke Gilden even luidop. “Als die mensen een dagje ouder worden, is zo’n woning een ramp qua onderhoud en energieverbruik. Tot dat besef komen ze pas op latere leeftijd, waarop ze naar de stad trekken. Dat doet de huizenprijzen daar stijgen en maakt wonen in de stad onbetaalbaar voor jonge gezinnen.”

Bron: Vilt, 25 november 2015