Verslag excursie 'landbouw en natuur, hand in hand' - 20 juni 2019

Hier vindt u een PDF met het verslag, zowel in het Nederlands als Frans: Verslag excursie landbouw en natuur, hand in hand - 20 juni 2019 (.pdf 239.18 KB)

Hieronder vindt u het volledig verslag in het Nederlands.

Op donderdag 20 juni sloegen het Vlaams en Waals Ruraal Netwerk de handen in elkaar om de aanwezigen te laten zien en horen waar landbouw en natuur elkaar ontmoeten. De Nederlandstalige versie vindt u hieronder, gevolgd door de Franstalige versie (opgemaakt door het Waals Ruraal Netwerk).

In de voormiddag bezochten we het ‘Centre wallon de Recherches agronomiques’ (CRA-W). Het CRA-W is betrokken bij verschillende EU-programma’s rond agromilieu-gerelateerde zaken, biologische teelten, agroforestry, enzovoort.

Mélanie Mailleux van BioWallonie stak van wal met een toelichting over de biologische fruitboomteelt. Ze begon met de grootste principes van biologische landbouw zoals het gebruik van mechanische methodes. Ook de bio-regelgeving nam ze onder de loep. Verder in haar presentatie kwamen volgende belangrijke aspecten naar boven wanneer het gaat over de biologische fruitboomteelt:

  • plantaardige productie

  • omschakeling van gangbare naar biologische landbouw

  • combinatie van biologische en gangbare teelt op hetzelfde bedrijf

  • controles

  • steunmaatregelen voor biologische landbouw

Daarna volgden twee presentaties van het CRA-W. De eerste ging over ‘EcoOrchard’. Eerst schetste Laurent Jamar de context: het assortiment variëteiten van appels en peren in België is zeer beperkt, plagen (zoals de spikkel) worden moeilijker om te bestrijden … Daarnaast kregen we ook een overzicht van de verschillende boomgaarden van het CRA-W. Er gebeuren reeds proeven in hun boomgaarden sinds 2002, met ongeveer 1.500 bomen per hectare, waaronder ook een biologische fruitboomgaard. Laurent had het onder andere ook over het ‘Eranet Core Organic Plus’-project, waar ze bijvoorbeeld zowel de natuurlijke vijanden als de schadelijke insecten in kaart brachten. Zo hoorden we dat men in de zuidelijkere landen meer problemen heeft met deze schadelijke insecten. In dit project kwam ook naar boven dat natuurlijke vijanden belangrijker en in groter aantal zijn in boomgaarden waar bloemenstroken zijn. Naast boomgaarden experimenteert CRA-W sinds 2014 ook met boslandbouw, ook gekend als agroforestry. Ze hebben 250 bomen per hectare, met voornamelijk oudere/robuustere soorten.

De laatste spreker van de dag was Alain Rondia, ook van CRA-W. Hij had het over agroforestry binnen de fruitteelt, verschillende vormen van diversificatie en over het project ‘Diversifruits’. Op vraag van de biosector startte CRA-W in 2016 met twee proefprojecten, waaronder een project rond het aantrekkelijk maken van het traject waarlangs kippen passeren én tegelijk het welzijn van de kip verbeteren door schaduwzones (van fruitbomen met lokale rassen en hagen) aan te leggen. Daarna volgde een uitleg over Diversifruits. Een van de belangrijkste doelstellingen binnen dit project is om hoogstamfruitboomgaarden met lokale rassen (erfgoed) opnieuw te gaan promoten en ontwikkelen, maar dan zonder enige behandeling. Omdat deze soorten niet zo rendabel zijn in vergelijking met de conventionele fruitteelt, mikt men voornamelijk op de korte keten. Alain gaf ons ook nog mee dat er drie grote pijlers waren in dit project:

  1. Technische en economische begeleiding (info geven over bv. verschillende types van gebruik zoals cider, azijn …)

  2. ‘Certifruit’-vorming (voornamelijk rond snoeien en onderhoud van boomgaarden)

  3. Bedrijfstak structureren (communicatie, samen nadenken over labels om gedragenheid te creëren en labels te promoten, studiereizen naar buitenland om hun kennis te vergroten …)

Na de boeiende presentaties was het tijd om het veld in te trekken. Vooraleer we naar Vlaanderen trokken, gaf Alain ons eerst nog een rondleiding op het domein van CRA-W. Zo gingen we eerst naar een proefveld waar agroforestry werd toegepast. De aanwezigen kregen er uitleg over verschillende vormen van bescherming van jonge bomen bij begrazing door vee. Daarna konden we zien hoe natuurbeheer werd toegepast in fruitboomgaarden, zoals bloemenstroken. Maar ook een bijenhotel als natuurlijk biologisch beschermingsmiddel konden we aanschouwen. Er was ook nog een proefwijngaard. Dan was het tijd om naar Vlaanderen te trekken en te zien en horen hoe agrarisch natuurbeheer daar wordt aangepakt.

Ter info: alle presentaties vindt u op de website van het Waals Ruraal Netwerk terug. U kunt deze ook steeds opvragen bij het Vlaams Ruraal Netwerk.

 

In de namiddag focusten we op de verschillende mogelijkheden binnen het derde Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling (PDPO III) wat betreft het samengaan van landbouw en natuur in Vlaanderen. Zo kwamen de deelnemers meer te weten over de agromilieu-klimaatmaatregelen, zoals de beheerovereenkomsten. Daarvoor bezochten we eerst enkele percelen van landbouwer Geert Pollenus in Gingelom. Geert is uitsluitend akkerbouwer en hij  teelt suikerbieten, wintertarwe, chicorei en groenten zoals spruitkool, bonen, erwten. Hij verhuurt ook percelen voor aardappelen en wortelen. Daarnaast heeft Geert ook beheerovereenkomsten afgesloten.

Eerst lichtte Els Lavrysen van de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) het principe van beheerovereenkomsten (BO’s) toe:

“BO’s zijn overeenkomsten die we aangaan met landbouwers. Zij nemen op vrijwillige basis maatregelen voor natuur- en milieudoelstellingen. Het zijn overeenkomsten die afgesloten worden voor vijf jaar en de landbouwer krijgt een vergoeding om die maatregelen te nemen. De vergoeding wordt een keer per jaar uitbetaald. Voorbeelden van maatregelen waar de landbouwer kan aan werken, zijn: het beschermen en onderhouden van kleine landschapselementen, het nemen van erosiemaatregelen, het beschermen van bepaalde soorten, het bufferen van bepaalde kwetsbare elementen in het landschap, het verbeteren van de waterkwaliteit. Dit is een hele waaier van maatregelen die we over Vlaanderen kunnen toepassen.

We gaan niet overal en eender waar al die doelstellingen nastreven, maar we proberen gebiedsgericht te kijken wat welk gebied nodig heeft en welke maatregelen we er kunnen toepassen.

Bij beheerovereenkomsten is de bedrijfsplanner een belangrijke schakel voor het contact met de landbouwer. Want zonder hen beide (bedrijfsplanner en landbouwer) zouden we geen overeenkomsten kunnen sluiten en zouden we niets in handen hebben om vrijwillige maatregelen te kunnen uitvoeren.”

Sven Jardin is bedrijfsplanner bij VLM. “In verband met de gebiedsgerichte aanpak wil ik nog meegeven dat wij  als VLM steeds meer gebiedsgericht proberen te werken, dus eigenlijk ervoor zorgen dat er afhankelijk van de noden van het gebied een totaalpakket wordt opgebouwd om bijvoorbeeld voor een aantal soorten de maatregelen die er nodig zijn, te laten uitvoeren. 

Het gebied in Gingelom waar de percelen van landbouwer Geert Pollenus liggen, ligt in Haspengouw dat in de leemstreek-gordel ligt. Het is een heel vruchtbaar en intensief gebied, maar tegelijkertijd is het door de hellingen ook erg gevoelig voor erosie. Heel typerend is ook de fauna die hier voorkomt, of voorkwam, want die fauna komt meer en meer onder druk  te staan. In het bijzonder de akkervogels waarvan het bestand heel snel achteruit gaat. Met de maatregelen voor erosie en akkervogel willen we daar aan werken. 

Bovendien is  dit een speciaal gebied omdat het ook een soortbeschermingsgebied is van de grauwe kiekendief en de hamster is.  Naar aanleiding van dit soortbeschermingsplan is er een partnerschap opgestart  met het  Regionaal Landschap Zuid-Hageland, het Regionaal Landschap Haspengouw en Voeren,  het Agentschap Natuur en Bos en de VLM om de beheerovereenkomsten af te sluiten. In dat partnerschap zitten ook twee werkgroepen: de werkgroep grauwe gors uit Vlaanderen en de werkgroep grauwe kiekendief uit Nederland (Groningen) die al ruim 30 jaar ervaring hebben met de grauwe kiekendieven.

In dit  soortbeschermingsplan is er voorzien dat 80% van de maatregelen via beheerovereenkomsten wordt aangelegd en 20% zou er moeten komen via structurele maatregelen. Deze laatste zijn maatregelen die op langere termijn aanwezig blijven, maar dat is niet zo gemakkelijk te realiseren.

Er wordt hier dus op twee types beheerovereenkomsten ingezet. Enerzijds de vogelakker die zichtbaar is achter ons. Dit is een combinatie van brede luzernestroken afgewisseld met gras-granen- kruidenstroken. Het is de bedoeling dat zich in die gras-granen-kruidenstroken (eigenlijk is het een braakstrook) een muizenpopulatie gaat ontwikkelen. Wanneer de landbouwer drie tot vier keer per jaar de luzerne gaat maaien en oogsten, dan zullen die muizen beschikbaar komen als stapelvoedsel voor de grauwe kiekendief die hier komt jagen. De grauwe kiekendief zelf zal zijn nest maken in de graanpercelen, dus daarom is het belangrijk dat in een gebied waar die maatregelen liggen ook reguliere graanteeltpercelen aanwezig zijn. Zodra er een nest wordt gevonden, wordt daar een raster rond geplaatst, zodat de jongen gevrijwaard zijn van predatie maar ook veilig zijn als de landbouwer gaat oogsten. De vogelakkers zijn dus effectief nodig als voedselleverancier voor de jongen van de grauwe kiekendief.

Een tweede maatregel die we hier hebben zijn grotere percelen graan waarbij jaarlijks de helft braak blijft liggen en jaarlijks de andere helft wordt ingezaaid (jaar na jaar is er een roterend systeem). De bedoeling daarvan is dat in het braakgedeelte de muizenpopulatie op peil blijft zodat er in het nieuwe gedeelte dat wordt ingezaaid terug een hele snelle opbouw is van de muizenpopulatie wat op zijn beurt weer als voedsel kan dienen voor de grauwe kiekendief.

Dit zijn de twee specifieke maatregelen voor de grauwe kiekendief. De grauwe kiekendief kwam hier een aantal decennia geleden van nature voor, maar door modernisering van de landbouw is de soort stilaan verdwenen. Het is nochtans een belangrijke vogel want het is een zogenaamde paraplusoort. Dit betekent dat de maatregelen die we voor hen nemen ook alle andere soorten ten goede komen en op de duur komt heel het systeem terug zoals het vroeger was.”

Els Lavrysen: “We zitten hier ook in een gebied dat specifiek is afgebakend voor akkervogels en daar hebben we nog een meer algemene maatregel voor: een faunavoedselgewas. De lichtgroene stroken zijn de percelen van faunavoedselgewas en de groene stroken errond zijn eigenlijk de gemengde grasstroken. Zoals het woord het zegt, dient een faunavoedselgewas eigenlijk om het voedsel beschikbaar te houden voor de akkervogels. Dat gewas laten we overjaars staan tot 15 maart, op die manier zijn er de hele winter lang ook graantjes ter beschikking voor de akkervogels. Die gemengde grasstrook errond dient ook als schuilmogelijkheid en als voedselstrook (ook in de lente) want daar zitten dan insecten, kleine zaadjes … in.

Dit is een meer algemene maatregel voor alle akkervogels, en niet enkel voor de grauwe kiekendief.

Landbouwer Geert Pollenus is ingestapt, maar er zijn in dit gebied nog veel meer landbouwers ingestapt. Op die manier krijgt je hier een heel patchwork van maatregelen die zorgen voor voedsel voor de vogels, in de winter in de zomer, schuil- en nestgelegenheid. We hopen ook om met die maatregelen het leefgebied voor akkervogels te verbeteren.”

Geert Pollenus: “Die maatregelen zijn een aanvulling in mijn bedrijfsvoering. Door die maatregelen worden er ook insecten aangetrokken en die insecten zijn dan natuurlijke vijanden voor luizen en voor andere insecten die wij moeten bestrijden. Dit is nog een meerwaarde. Voor de rest is dit ook een perceel dat vroeger een erosiestrook onderaan had, dus ik heb door deze maatregel toe te passen beide gecombineerd: erosiestrook en faunavoedergewas. Met deze maatregelen heb ik het jaar rond een volledige bedekking van de percelen waardoor er een heel jaar lang geen kans meer is op erosie. De luzerne kan ik afzetten als veevoeder.”

Els Lavrysen: “Een probleem hier is dat we in een akkerbouwstreek zitten en luzerne wordt beschouwd als restproduct. Het kan drie tot vier keer per jaar geoogst worden en het is een heel goede voeding voor het vee. Maar omdat we hier dus vooral in  een akkerbouwstreek zitten moeten de akkerbouwers zelf lokale veehouders zoeken die interesse hebben in afname van luzerne. En dat lukt tot nu toe vrij goed.” 

Geert Pollenus: “Over de vergoeding mag ik ook niet klagen. Ik vind het een mooie tegemoetkoming voor het werk dat ik er aan heb. De vergoeding is correct. De Als deze vijf jaar zijn afgelopen, ga ik opnieuw vijf jaar verlengen.

Ik denk niet dat de onkruiddruk na vijf jaar hoger gaat zijn omdat er in die tijd geen grondbewerking is gebeurd en de zaden van het onkruid op de grond vallen en dus ofwel opgegeten worden door de vogels of door de muizen.

Wat me overtuigd heeft om beheerovereenkomsten af te sluiten? Dit is een mooi alternatief voor andere teelten, de percelen zijn mooi aaneensluitend en het geheel mag gezien worden. En zo mee kunnen werken aan het herstel van de akkervogels geeft je toch het gevoel dat je mee werkt aan een betere wereld. Veel collega’s zien het niet zitten om er mee in te stappen omdat ze vinden dat zo’n goede grond toch niet gebruikt mag worden voor die dingen. Maar dat is vooral de oudere generatie die dat vindt.”

Els Lavrysen: “Van de landbouwers die aflopende contracten hebben is er een hoog percentage dat opnieuw vijf jaar instapt. Maar we zien bij VLM jaar na jaar slechts een lichte stijging van nieuwe landbouwers die BO’s afsluiten. Ze zijn dikwijls bang van wat er hen na die vijf jaar te wachten staat. Of ze die grasstroken bijvoorbeeld nog gaan kunnen omzetten naar landbouw. Ondanks het feit dat het duidelijk is dat dit allemaal kan, blijven de mensen twijfelen.”

Sven Jardin: “Maar instappen kan ook niet onbeperkt. Voor grauwe kiekendief bijvoorbeeld werken we met een gebiedsdoelstelling in de vorm van een bepaalde oppervlakte die in een gebied moet gehaald worden. Hier is het gebied iets meer dan 1100 hectare groot en nu zitten we aan 42 hectare grauwe kiekendief-maatregelen. En dus is de doelstelling hier bereikt. Als er hier nu nog landbouwers willen instappen voor die maatregelen, dan kan dat niet. aanleggen heeft geen zin meer.”

Els Lavrysen: “Voor akkervogels streven we een gebiedsdoelstelling van acht à tien procent na in het gebied. De percelen voor de akkervogels zijn meestal kleiner, dus daar zitten we veel minder snel aan acht à tien procent. Voor erosiestroken is de breedte gekoppeld aan de erosiegevoeligheid van het perceel, dat gaat van zes tot 30 meter breed.”

Hierna ging de excursie naar een ander perceel van Geert Pollenus waar erosiestroken zijn geïnstalleerd.

Geert Pollenus: “Voordat deze erosiestrook hier lag, liep al het water van de bovengelegen percelen (70 hectare) de straat op en zo het dorp binnen. De bedoeling is nu dat het water weg kan, door het gras, en dat tegelijk een heel deel van de modder op het perceel blijft. Door die grasstroken aan te leggen probeer je dus zoveel mogelijk modder uit het dorp te houden.”

Els Lavrysen: “Vanuit de beheerovereenkomst stelden we hier dan voor om deze strook die oorspronkelijk een erosiestrook was, een beetje te upgraden in functie van de akkervogels en nog iets meer andere voorwaarden op te leggen waar dan de landbouwer ook meer voor wordt vergoed. Het verschil is dat op een erosiestrook nog heel veel mag gebeuren, er mag zelfs op gemest worden. De enige voorwaarde is dat de grasmat niet stuk gaat. Maar op een vogelstrook streven we nog iets meer biodiversiteit na en hebben we de voorwaarde opgelegd om pas te maaien na 15 juli. Dat maakt het ecologisch gezien waardevoller.”

Na de percelen met beheerovereenkomsten in Gingelom stapten we de bus op richting Sint-Truiden, naar de Natlandhoeve van Jos De Clercq. Hier hadden we het over agroforestry.

Jos De Clercq: “Haspengouw is een van de vruchtbaarste streken van Europa en daar laat ik gras op groeien dat ik aan koeien geef? Dat voelt niet goed want het idee is dat een boer voedsel produceert voor mensen. Vermits we in fruitstreek zitten en ik altijd met bomen bezig ben geweest heb ik beslist om er notenbomen op te plantent. Vooral voor de opbrengst van de vruchten, minder voor het hout. De bomen staan nu te groeien, ze brengen nog niet veel op, maar ze nemen ook niet veel plaats in want ondertussen grazen mijn koeien er nog altijd op.

Katrien Nijs van het Departement Landbouw en Visserij: “Agroforestry is landbouwteelt tussen de bomen. Het is een investeringssteunmaatregel waarbij je als landbouwer 80% van de kosten per aanplant kan terug krijgen. Concreet is dat de aankoop van de bomen en de kosten voor het werkmateriaal en de werkuren. Er zijn wel een aantal voorwaarden aan verbonden: je moet het systeem tien jaar behouden en je moet tussen die bomen een landbouwteelt uitoefenen en die landbouwteelt moet je jaarlijks via de verzamelaanvraag aangeven. Dat zijn de belangrijkste en bijna enige voorwaarden. Andere kleine voorwaarden zijn dat niet alle soorten bomen in aanmerking komen (geen kerstbomen, geen laagstamfruit … ). Het is een investeringssteunmaatregel hetgeen wil zeggen dat de maatregel wordt opengesteld in het najaar, je dient dan je aanvraag in, en krijgt nadien bericht of het ok is om aan te planten en wat de hoogte van het bedrag is dat je kan terug krijgen. Je mag niet aanplanten voor je dat akkoord hebt. Als je het akkoord hebt kan je in de winter die daarop volgt aanplanten. En met de verzamelaanvraag die volgt in april, kan je het geld terug vragen. Nog belangrijk om te weten: als de bomen stuk gaan, dan ben je zelf verantwoordelijk voor heraanplanting. Die bomen moeten daar tien jaar blijven staan, en als er een boom weg valt moet hij vervangen worden.

De Natlandhoeve is ook een biologisch landbouwbedrijf. Jos ontvangt ook biohectaresteun krijgen. De principes zijn dezelfde als in Wallonië. In Vlaanderen wordt ook gewerkt met contracten voor 5 jaar. Voor de omschakeling naar biologisch werken kan je steun krijgen. Daarna is het dan wel de bedoeling dat je overgaat tot voortzetting van het biobedrijf. Ook voor deze voortzetting kan je steun ontvangen. Dit kan aangevraagd worden via de verzamelaanvraag.”

Jos De Clercq: “Ik ben altijd al bezig geweest met landbouw en natuur en dat is vooral omdat ik graag mooie landschappen zie. Mijn werkomgeving richt ik graag zo mooi mogelijk in. En vervolgens kijk ik of ik er ook iets mee kan verdienen. Geld komt voor mij op de tweede plaats.

In de weide achter ons stond een laagte waar een plas water in stond. Dat heet dan eigenlijk een poel en daarvoor kan je een beheerovereenkomst afsluiten. De poel is gegraven met het geld van de beheerovereenkomst en na een aantal jaren is die poel herwerkt en heb ik daar een onderhoudsovereenkomst voor aangevraagd. Het groen dat errond staat is voor mij heel mooi, maar daar heb ik geen steun voor gekregen.

De boomgaard hier achter ons was oorspronkelijk een huisboomgaard, het is de bedoeling om zo vroeg mogelijk en zo lang mogelijk fruit te hebben. Er staan zoveel mogelijk verschillende soorten fruit en verschillende rassen in (bijvoorbeeld van appels). En intussen zijn er bomen bij die zoveel opbrengen dat ik het commercialiseer, maar in eerste instantie was de boomgaard enkel voor eigen gebruik.

De koeien die ik hier heb zijn van het Limousin-ras. Limousins zijn hele sterke koeien. Ik heb er 50 in totaal en op jaarbasis heb ik slechts 250 euro kosten aan de veearts. Ik ben gestart in 1991 en heb in al die jaren maar een keizersnede moeten laten uitvoeren. Deze koeien kalven normaal gezien alleen, de kalfjes zijn klein en hebben een enorme jeugdgroei. De koeien aanvaarden de kalfjes altijd, er zijn nooit problemen. Het gaat allemaal vanzelf. Mijn koeien mogen oud worden, ze blijven kalfjes geven. De oudste koe hier is 20 jaar geworden en heeft 16 keer gekalfd. Uiteindelijk had ze zoveel last van artrose en heb ik ze moeten laten inslapen. Het verkoopbare product zijn de stieren van twee jaar en vaarzen van drie à drieënhalf jaar.”

Jos De Clercq in verband met de agroforestry op de Natlandhoeve: “De rij bomen die hier staat zijn essen, daar zit geen subsidie op. Die heb ik geplant omdat ik ze graag zag. De bomen daarachter zijn aan de rechterkant okkernoten en links kastanjebomen. Het zijn geënte bomen en het nadeel van kastanjebomen is dat ze worden geënt op 2m20. En die entplaats is een vergroeiing in het hout en je hebt dus eigenlijk maar een stam verkoopbaar hout op 2m20. Bij de okkernoten is dat niet, die bomen zijn onderaan geënt en dan kun je een stam opkweken die hoger gaat en als je dan goed kunt snoeien heb je een hoge mooie stam. Het is altijd zoeken tussen productie en houtopbrengst. Bij de kastanjes is er één variëteit die gebruikt wordt. Bij de okkernoten zijn er enorm veel variëteiten.

Met Agroforestry Vlaanderen is er ook een werkgroep walnoten waar ik in zit. Voor ons is het belangrijk dat de bomen laat bloeien want hoe later ze bloeien, hoe beter. Als ze vroeg bloeien is er namelijk kans op lentevorst. Hhoe later ze in blad komen, hoe meer mogelijkheden er zijn voor de akkerteelt tussen de bomen, de teelten combineren zich dan veel gemakkelijker. Zo’n kennis doen we op in de werkgroepen.

Nog een weetje: beuken hebben heel oppervlakkige wortels. Als je die gaat combineren met akkerbouw, dan komt dat niet goed. Maar beuken combineren met veehouderij is ook niet goed want beuken verdragen geen betreding van hun wortels. Dat zijn allemaal zaken die problemen kunnen geven.

Mijn bomen zijn afgeschermd voor het vee, de koeien gaan weinig schuren aan die jonge bomen. Maar eigenlijk moeten ze kunnen schuren in het voorjaar om hun winterhaar kwijt te geraken. De koeien komen gemakkelijk onder de grote bomen (essen) rusten, die bomen kunnen er tegen. Goeie tip: als je bomen plant, dan moet je het meeste aandacht geven aan de bomen op de plekken waar het vee het meeste verzamelt.

Er is momenteel nog geen commercialisatie van de vruchten, daarvoor is er nu nog te weinig opbrengst. In eerste instantie ga ik gewoon kastanjes verkopen. En in tweede instantie is het de bedoeling dat ik de kastanjes ga drogen en als verwerkt product op de markt ga brengen. Bijvoorbeeld als kastanjestukjes om in salades te verwerken. Ook de noten wil ik in de toekomst als verwerkt product op de markt brengen.

Maar hoe ik de oogst van beide vruchten zie evolueren, dat weet ik niet. Zoiets plan ik niet.”

Na de boeiende uiteenzetting van Jos De Clercq sloten we de interessante dag af. We bedanken zeker alle landbouwers en sprekers en ook alle aanwezigen.
Meer informatie over agroforestry en biologische landbouw vindt u op de website van het Departement Landbouw en Visserij. En meer informatie over de beheerovereenkomsten vindt u op de website van de Vlaamse Landmaatschappij (VLM).