VLIF valt niet over producten van derden in hoevewinkel

Tijdens de eerste bijeenkomst na het zomerreces van de commissie Landbouw in het Vlaams Parlement kwam een oud probleem opnieuw op tafel. Landbouwers ervaren dat het niet evident is om met een hoevewinkel te starten. Eén van de moeilijkheden is het losweken van overheidssteun voor hun investering in diversificatie. Open Vld’er Francesco Vanderjeugd herinnerde minister Schauvliege hieraan. Een wijziging van de regelgeving (2014) rond steun van landbouwinvesteringsfonds VLIF heeft het volgens de minister mogelijk gemaakt om de producten van een collega-landbouwer in de eigen hoevewinkel te verkopen. Wel moet een boer in de eerste plaats boer blijven, de handelsactiviteit mag met andere woorden geen hoofdzaak worden.

De commissie Landbouw in het Vlaams Parlement heeft zich deze week door middel van een werkbezoek verdiept in aquacultuur en visserij. De parlementsleden brachten een bezoek aan de commerciële viskwekerij Aqua4C (omegabaars), het Praktijkcentrum Aquacultuur van Inagro waar eveneens snoekbaars wordt gekweekt, de Rederscentrale in Zeebrugge en de technische werkcommissie van adviesraad SALV. Ook gingen ze in gesprek met visserij-ondernemer Willy Versluys.

De tussenkomst van Vlaams parlementslid Francesco Vanderjeugd (Open Vld) in de commissie Landbouw had geen betrekking hierop, maar op een werkbezoek dat dateert van vorig jaar. Toen bezocht de commissie landbouwbedrijven die zich toelegden op het zelf verwerken en verkopen van hun producten. Vanderjeugd heeft daaruit geleerd dat het allesbehalve een evidente keuze is. De knoop moet soms doorgehakt worden in een (financieel) moeilijke periode, ook zijn de investeringen in infrastructuur niet gering. “Boeren die de sprong wagen, kunnen de steun vanuit het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF) dan ook zeer goed gebruiken”, merkt Vanderjeugd op.

Een goed draaiende hoevewinkel is er vaak één met een voldoende groot aanbod zodat nogal wat landbouwers samenwerken met collega’s om hun aanbod te verruimen. Wie bijvoorbeeld roomijs produceert, zou het assortiment in zijn winkel kunnen aanvullen met kaas van een collega-melkveehouder. Francesco Vanderjeugd kaart aan dat de VLIF-voorwaarden nogal streng zijn voor het aandeel dat niet zelf geproduceerd is maar waar wel handel in gedreven wordt. Tijdens het werkbezoek van de politici vroegen landbouwers meer flexibiliteit in de regeling.

“De regel dat niet meer dan een kwart van het aanbod in de hoevewinkel producten van derden mogen zijn, is ongeveer 15 jaar geleden ingevoerd om in situaties waarbij de verwerking en verkoop van hoeveproducten juridisch afgesplitst werd van het landbouwbedrijf, toch steun te kunnen verlenen. Door die voorwaarde werd de band tussen landbouw- en handelsbedrijf verzekerd”, verduidelijkt minister Schauvliege. “In de huidige regelgeving is het niet meer toegelaten om juridisch de opsplitsing te maken. Nergens wordt nu nog bepaald welke fractie van de verkochte hoeveproducten afkomstig moet zijn van het eigen bedrijf.”

Bij de wijziging van de VLIF-regelgeving in 2014 is een nieuwe vorm van diversificatie aanvaard, namelijk de verkoop van niet zelf geteelde, gekweekte of artisanaal verwerkte hoeveproducten via de korte keten. “Dat laat toe dat bijvoorbeeld ook producten van een collega-landbouwer rechtstreeks verkocht kunnen worden aan de consument. Je ziet dat meer en meer in bepaalde regio’s, dat men de streekproducten uit de omgeving aanbiedt in de hoevewinkel”, weet Schauvliege. De regelgeving bepaalt dat de verbrede activiteit in het geheel der bedrijfsactiviteiten geen hoofdzaak mag worden. Dat is logisch, anders riskeert de overheid landbouwsubsidies te verstrekken aan iemand die in de eerste plaats winkelier is.

Hoewel het specifieke probleem dat Vanderjeugd aankaart inmiddels van de baan zou moeten zijn, worstelen hoeveverkopers nog wel met de investeringssteun van de overheid. “De struikelblokken zijn gelijkaardig als bij andere investeringsdossier”, zegt de minister. “Wat wel opvalt, is het grote aantal investeringsprojecten dat uiteindelijk niet uitgevoerd wordt.” Men heeft dus wel plannen en doet een aanvraag voor overheidssteun maar ziet uiteindelijk af van de investering in een hoevewinkel. De redenen zijn onbekend zodat Schauvliege dit graag eens van naderbij zou laten bekijken. Tot slot herinnert ze nog aan de overlegstructuren die bestaan en helpen bij het detecteren van knelpunten.

Bron: Vilt, 28 september 2016