Zot van (‘t) Boeren – artikelenreeks 3 – najaar 2017 – artikel "Zeg het ons"

Wat houdt je tegen om een vraag te stellen? Wie spreek je aan als je zit te piekeren? Kun je terecht bij broer of zus, bij vrienden, bij concullega’s? Wachten om een vraag te stellen vergroot de kans op een ongewenst antwoord. “Praat erover” is gemakkelijk gezegd, maar wie luistert echt? Wie begrijpt je vraag? Welke contacten heb je die beschikbaar staan met een luisterend oor…

Wie zou kunnen helpen?

In 2015 stelde HOWEST en het provinciebestuur van West-Vlaanderen die vraag aan 6.738 land- en tuinbouwers. 1.052 antwoordden. 15 % hebben heel weinig contacten met familieleden. 16 % hebben heel weinig contact met collega’s. 24 % hebben weinig contact met dorpsgenoten en vrienden. 
Veeartsen, verkopers en adviseurs komen het meest langs. Bij slechts een vierde komt de huisarts langs. Wie regelmatig op het bedrijf komt, is vertrouweling en is meer aanspreekbaar. De diensten uit de sociale sector en de hulpverleningsorganisaties komen niet langs bij de landbouwers.

Wie helpt?

Uit de studie blijkt dat vooral de huisarts en de adviseurs aanspreekpunten zijn om zorgen te delen.  Ook de veearts en de verkoper krijgen meer te weten. Opmerkelijk is dat 26 % van de land- en tuinbouwers de lippen stijf houdt als een erfbetreder in de buurt is.

Wat draagt bij tot het welbevinden?

De studie stelt dat het welbevinden afhankelijk is van drie soorten kapitaal: het economisch, het scolair en het sociaal kapitaal.
Wie het nu financieel goed heeft, voelt zich ook goed. Wie naast het bedrijf nog een bijkomend inkomen heeft, is daarom niet gelukkiger. Wie loontrekkenden in dienst heeft, voelt zich beter. Landbouwverbreding kan deels meehelpen om de financiële situatie te versterken, maar 85 % doet niet aan landbouwverbreding. Landbouwers die actie ondernemen om te antwoorden op de globalisering van de landbouwsector, hebben een beter welbevinden.
Hoe meer vorming de landbouwer volgt, hoe beter het welbevinden. 30 % volgt nooit een vorming. 62 % doen het af en toe en slechts 9 % volgt frequent een vorming.
Hoe meer de landbouwer mee is met de wijzigingen van de reglementeringen en met de wijzigingen van de nieuwe landbouwtechnieken, hoe beter zijn welbevinden.
Hoe meer contacten met de familie, met dorpsgenoten, met collega-landbouwers en met vrienden, hoe beter. 15 % hebben nooit of slechts enkele keren per jaar contacten met de familie. 25 % heeft beperkt contact met dorpsgenoten en met vrienden. 16 % heeft heel beperkt contact met collega’s.
Wie lid is van een vereniging voelt zich beter in zijn vel. 70 % is geen lid van een sociaal culturele vereniging. 86 %  is geen lid van een sportvereniging. 93 % is geen lid van een hobbyclub. 90 % is niet betrokken bij een politieke vereniging. Voor de partner is dit gelijkaardig. 60 % is geen lid van een vrouwenvereniging. VABS en KVLV-Agra is in die enquête een vakvereniging.

De rol van de landbouworganisatie

75 % is lid van een landbouworganisatie. Het Vlaams gemiddelde van de syndicalisatiegraad bij de beroepsbevolking is 60 %. De landbouwers zijn dus sterker verbonden met hun beroepsgenoten in vergelijking met andere zelfstandigen en werknemers.

De belangrijkste reden om geen lid te zijn van een landbouworganisatie is de prijs van het lidgeld.   Ook bij wie ooit lid is geweest is de hoogte van het lidgeld de belangrijkste reden van afhaken. 30 % van de afhakers zegt dat ze ontevreden zijn over de belangenverdediging.  Slechts 4 % gelooft dat de landbouworganisatie enige impact heeft op een landbouwcrisis.