Wat mogen producentenorganisaties en wat mogen ze niet?

Mededingingsregels en meer nog, de vrees om ermee in botsing te komen, ontnemen landbouwers soms de zin om onderling of met andere marktpartijen samen te werken. In het recente verleden zijn een aantal kartels beboet, wat bijna geleid heeft tot een klimaat van angst rond mededinging. Om alles in perspectief te plaatsen, licht het Departement Landbouw en Visserij de algemene principes van mededinging toe in relatie tot de ketenwerking in de landbouw. Het betreft een update van een enkele jaren oude publicatie aangezien het Europees landbouwbeleid sindsdien hervormd is en de Europese Commissie een aantal standpunten heeft verduidelijkt.

Een goed geïnformeerd persoon is er twee waard. Een nieuwe publicatie van het Departement Landbouw en Visserij heeft vooral tot doel om te verduidelijken wat producenten- en brancheorganisaties in de agrovoedingsketen mogen, of juist niet mogen. Organisaties kunnen deze informatie gebruiken om een zelfbeoordeling te maken. In de praktijk is er heel wat mogelijk, meer dan soms gedacht wordt, zolang maar rekening gehouden wordt met een aantal basisregels. Landbouwers zijn ondernemingen in de betekenis van het mededingingsrecht. Handelaars, verwerkingsbedrijven, groot- en detailhandel vallen evenzeer onder het toepassingsgebied.

Het mededingingsrecht bepaalt dat concurrenten zelfstandig actief op de markt moeten opereren en dat zij bijvoorbeeld geen prijsafspraken met elkaar mogen maken of areaalbeperkingen mogen afspreken. Mededingingsbeleid is vooral bedoeld om kartels te voorkomen en er voor te zorgen dat een onderneming geen misbruik zou maken van haar dominante positie op een markt. Een machtspositie als zodanig is niet onrechtmatig maar maakt wel dat eenzelfde praktijk bij een dominante firma onwettelijk kan zijn, terwijl ze wettelijk is voor een niet-dominante firma. Dit moet begrepen worden in het licht van het uiteindelijke doel: de consument beschermen tegen te hoge prijzen.

Producentenorganisaties (PO’s) kunnen de positie van landbouwers in de voedselketen helpen versterken en hen in de onderhandelingen met afnemers meer macht geven. Voor zuivel, granen, rundvlees en olijfolie is er expliciet vastgesteld dat er geen overdracht van eigendom hoeft te zijn en dat de PO kan onderhandelen voor de totale of voor een deel van de productie van de leden. Voor andere sectoren is er tot nader order wel eigendomsoverdracht nodig. Voor groenten en fruit is bovendien expliciet bepaald dat de PO 100 procent van de producten van de aangesloten leden moet verkopen. Een bracheorganisatie (BO) die verticale samenwerking in de keten bevordert, is als organisatie zelf niet actief in de productie, verwerking of handel maar kan wel alle nuttige ketenafspraken maken zolang dit maar niet over prijzen en volumes gaat.

Een producentenorganisatie mag onderhandelen in naam en voor rekening van de leden voor zover de PO geen dominante machtspositie heeft, wat door de Europese Commissie bewust vaag geformuleerd is. Voor bepaalde sectoren zijn er drempels vastgelegd, wat meer houvast geeft. In het geval van een producentenorganisatie van melkveehouders mag het volume rauwe melk waarover onderhandeld wordt bijvoorbeeld niet meer dan een derde van de nationale productie bedragen. Voor rundvlees en akkerbouwgewassen wordt 15 procent van de nationale productie als plafond gehanteerd.

Ook indien de vastgestelde maxima niet overschreden worden, kan de mededingingsautoriteit in individuele gevallen beslissen dat de PO niet mag onderhandelen of de onderhandelingen moet heropenen. Dit kan noodzakelijk geacht worden om een beperking van de mededinging te voorkomen. “De regelgever heeft een onderscheid tussen lidstaten gecreëerd”, merkt Guy Lambrechts van het Departement Landbouw en Visserij op. “Door te refereren naar de nationale markt kunnen PO’s in bijvoorbeeld Frankrijk vele malen groter zijn dan PO’s in kleine lidstaten zoals België.

Aan de hand van de richtsnoeren van de Europese Commissie verduidelijkt Lambrechts de wijze waarop de voorwaarde ‘genereren van efficiëntiewinsten’ begrepen moet worden. Producentenorganisaties moeten een aantal activiteiten ontwikkelen om de efficiëntiewinsten te genereren die Europa met de PO’s voor ogen had. De efficiëntiewinst moet aanzienlijk zijn in termen van productievolume, productiekosten en het in de handel brengen van het product. Voor rundvlees en akkerbouwgewassen wordt bijvoorbeeld gekeken naar gezamenlijke distributie, afzetbevordering, kwaliteitscontrole, opslagcapaciteit, aanschaf van productiemiddelen, het organiseren van een verkoopplatform, enz.

De auteur van het rapport ‘Mededinging en de GMO’ maakt met het voorbeeld van de groente- en fruitsector duidelijk dat een PO in Vlaanderen met enkele tientallen of zelfs honderden leden nooit een dominante positie kan krijgen. Alle groente- en fruittelers in ons land zijn samen slechts goed voor één procent van het Europese areaal en 1,8 procent van de Europese productiewaarde. Het risico op een in de ogen van de Europese Commissie niet tolereerbare dominante positie kan je op voorhand dus bijna uitsluiten in deze sector.

Meer informatie: website van Departement Landbouw en Visserij

Bron: Vilt, 1 februari 2017