Verslag 'studiedag leefbare dorpskernen' - 10 februari 2017

Op vrijdag 10 februari 2017 organiseerde de provincie Limburg een studiedag ‘leefbare dorpskernen’ in het provinciehuis te Hasselt. Daaruit kwam al snel aan de oppervlakte dat er weinig dagelijkse voorzieningen voorhanden zijn in sommige gemeenten van de provincie Limburg. Nochtans spelen lokale voorzieningen een belangrijke rol bij het versterken van de sociale en economische vitaliteit en de identiteit van plattelandskernen. En dat blijkt vandaag de dag meer dan ooit nodig. De samenlevingsstructuur in de plattelandskernen ondergaat namelijk een grote transitie op maatschappelijk en economisch vlak. Zo is er sprake van een dalend voorzieningenniveau, een verminderde sociale cohesie, een snelle vergrijzing, enzovoort. Tijdens deze studiedag stelden de gastsprekers een aantal cijfers voor, deelden ze een aantal theorieën en concepten en ging men dieper in op specifieke cases.

Het welkomstwoord was voor Inge Moors, gedeputeerde voor landbouw en platteland van de provincie Limburg. Ze wees er op dat er meer dan 1,2 miljoen euro aan Europese, Vlaamse en provinciale plattelandssubsidies beschikbaar zijn. Die middelen kunnen worden ingezet om dorpen opnieuw leefbaar te maken. Zo loopt er momenteel nog een oproep voor LEADER-projecten in LEADER-gebied Haspengouw. Projecten kunnen nog tot 24 maart worden ingediend.

Lokale voorzieningen in de provincie Limburg

Willem de Laat, expert in retail and urban developments, gaf ons al een eerste zicht op de algemene problematiek rond lokale voorzieningen in dorpskernen. Meer specifiek gaf hij een overzicht voor de twee LEADER gebieden ‘Kempen & Maasland’ en ‘Haspengouw’. Leegstand blijkt hier een groot probleem te zijn. Het consumentengedrag oefent uiteraard een grote invloed uit op het aanbod van voorzieningen in dorpskernen. Zo trekken steeds meer consumenten naar grote aanbodclusters, zoals de steden Hasselt, Luik en Maastricht. Om het dalend aantal voorzieningen een halt toe te roepen, geeft Willem de Laat nog een aantal adviezen en oplossingen mee, die gericht zijn op beleidsmakers. Zo is het volgens hem belangrijk om in te zetten op kwaliteit en niet op kwantiteit. Men kan bijvoorbeeld inspelen op het belevingsgevoel van de consument. Daarnaast raadt hij aan om leegstand te maskeren door middel van een tijdelijke invulling zoals een pop-up store. Tot slot stelt hij dat het gemeentebestuur een regisserende en proactieve rol te spelen heeft en dat er samenwerking moet zijn met de lokale private actoren.

Dorpen in verandering

Vervolgens gaf Frank Thissen, professor aan de Universiteit van Amsterdam, toelichting over zijn theorie ‘Dorpen in verandering’. Veel dorpen hebben te maken met functieverlies. De enige functie die vaak nog overblijft, is het wonen. Deze functionele veranderingen betekenen ingrijpende veranderingen voor de lokale identiteit. De leefbaarheid van het dorp wordt eigenlijk bepaald door drie factoren: de ontwikkeling van het aantal inwoners, de ontwikkeling van het aantal voorzieningen en de ontwikkeling van de leefbaarheid. Men kan vaststellen dat het verlies van voorzieningen voor veel dorpsbewoners in de eerste plaats een aantasting van de identiteit van hun dorp betekent. Zonder streekproducten is er bijvoorbeeld minder sprake van streekidentiteit. Een aantal aanbevelingen die hij meegeeft zijn: het beleid moet gericht zijn op de lokale aanwezigheid van voorzieningen, ‘bottom-up’ initiatieven hebben de voorkeur op ‘top-down’ initiatieven, een sociaal vitaal dorp heeft een ontmoetingsplaats nodig, en nationale en regionale verschillen moeten grote aandacht krijgen bij de transplantatie van goede praktijken.

Het DORV-concept: het belang van de ontmoetingsplaats

Heinz Frey lichtte het DORV-concept toe. Heinz Frey zag dat de inwoners van zijn dorp met de sluiting van winkels ook zonder ontmoetingsplaats vielen. Daarmee verliest een dorp ook zijn karakter. Daarom startte Heinz Frey met een combinatie van duurzaam winkelen en dienstverlening op maat van het dorp: het DORV-concept. In de huidige samenleving hebben we te maken met demografische veranderingen, stijgende energiekosten en milieubelasting, een digitale revolutie en een veranderende manier van shoppen. Het DORV-concept speelt hier op in. Het idee is om vijf elementen (levensmiddelen, dienstverlening, sociale en medische diensten, cultuur en communicatie) te centraliseren in het dorpscentrum. Zo kan men onder één dak naar de huisarts en apotheker, inkopen doen in een supermarkt die regionale producten aanbiedt, iets gaan drinken en naar een concert gaan. Om het DORV-concept te realiseren, is het wel nodig dat men ook onderzoekt wat de omgevingsnoden zijn en welke noden er op individueel niveau zijn. Daarnaast moet men ook innovatief zijn en meegaan met de digitale revolutie. Er is dus een integrale aanpak vereist. Na het voeren van een basisanalyse en behoefteanalyse kan men overgaan tot de implementatie. Het is ook belangrijk voor het slagen van het project dat de burgers zelf verantwoordelijkheid nemen.

Project ‘Leefbuurt’ in Belzele

Tot slot bracht Tom Maertens nog een getuigenis over hoe hij werkt aan het leefbaar maken van zijn dorp Belzele. Tom is projectcoördinator van het project ‘Leefbuurt’. Geïnspireerd door het verhaal van Heinz Frey, is hij zelf met het DORV-concept aan de slag gegaan. Ook hij wil in zijn woonplaats meer ontmoetingsplaatsen creëren. Belzele is zeker geen krimpdorp, aangezien het aantal inwoners er stijgt. Het aantal voorzieningen daalt er weliswaar wel. Naar aanleiding daarvan doet Tom onderzoek naar de mening van zijn mededorpsbewoners over de voorzieningen die aanwezig zijn in het dorp. Hiervoor focust hij op wat de dorpsbewoners positief vinden - en niet op wat ze negatief vinden - aan het dorp. Hij had het aanvankelijk wel moeilijk om helpende handen te vinden en startte daarom een open bewonersvergadering. Daar werd een dorpsteam opgericht, dat de handen in elkaar slaat om te werken rond mobiliteit, communicatie en informatie, speelgelegenheden ... De boodschap die Tom meegeeft, luidt vooral dat het veel werk en geduld vergt om op een participatieve manier aan de slag te gaan. Hij geeft ook een paar theoretische kaders mee die hierbij kunnen helpen, zoals co-creatie.

Erik Gerits, gedeputeerde voor economie en Europa, nam het eindwoord voor deze geslaagde studiedag en nodigde de aanwezigen uit om contacten te leggen op de receptie, opdat hier ideeën worden gesmeed om de Limburgse dopen weer leefbaar te maken of leefbaar te houden.

Er verscheen ook een artikel over deze studiedag in VILT: http://www.vilt.be/limburg-ongerust-over-dorpen-zonder-bakker-en-slager.